Alexandra Crouwers 2020

Essay /// Handtassen van jeansbroeken.

Cultureel ondernemerschap of artistieke dienstverlening.

This text was first published on my personal Facebook account on August 13 2020, and republished on the website of Etcetera, magazine for the performing arts, on August 17.

In 1998 werd econoom Rick van der Ploeg voor de Nederlandse PvdA – verwant aan de Vlaamse sp.a – staatssecretaris voor cultuur en media. Ik was net afgestudeerd aan de academie van Den Bosch en begonnen aan mijn master’s voor beeldende kunst aan het Sandberg Instituut in Amsterdam.

Van der Ploeg bedacht het ‘cultureel ondernemerschap’, een term die meer dan twintig jaar later nog steeds resoneert in de politiek en de cultuursector. Kunstenaars en culturele instellingen kregen als het ware de opdracht om te streven naar meer zelfredzaamheid door de ontplooiing van allerlei activiteiten naast het daadwerkelijk ontwikkelen en tonen van hun werk. 

In beginsel is daar niets mis mee, maar zoals vaker met goedbedoelde initiatieven liep dit al snel scheef toen de ‘kunstenaar’ werd vervangen door de ‘cultureel ondernemer’. Het gevolg was dat beleidsmatig iemand die handtassen maakte van gebruikte jeansbroeken en deze verkocht op braderieën gelijkgesteld werd aan iemand die op nationaal of zelfs internationaal niveau tentoonstellingen had of voorstellingen gaf. Ik verzin dat niet: ik heb het gezien. 

De overheid stelde namelijk cursussen beschikbaar voor deze verse cultureel ondernemers, en uit nieuwsgierigheid heb ik er één – een afschuwelijk betuttelende middag rond brainstormen – gevolgd. Bij de introductieronde bleek dat van de twintig deelnemers maar twee effectief een lopende artistieke praktijk hadden: een trompettist met een internationaal tourschema en ik. De rest maakte handtassen van jeansbroeken, ontwierp kerstkaarten, gaf workshops recyclen, of verleende verwante diensten. Het maakte pijnlijk zichtbaar hoe de overheid de kunstenaar zag: als een middenstander die ongevaarlijk in de marge mag prutsen, want dat is leuk voor de buurt. 

In het eerste hoofdstuk van Donald Rombelow’s ‘The Complete Jack The Ripper’ wordt de desperate armoede geschetst die zich halverwege de 19e eeuw in Londen had genesteld. Omdat ze werkelijk niets anders mochten doen buitenshuis, zetten rijke dames liefdadigheidsorganisaties op. Dat zou je kunnen toejuichen, als deze niet voort kwamen uit de hardnekkige opvatting dat deze paupers toch minderwaardig waren, en nooit zouden kunnen ontsnappen uit hun miserie. Het gevolg was dat de liefdadigheid net genoeg was om mensen in leven te houden, maar volledig te kort schoot om mensen uit de armoede te halen. Decennia bleef deze bevolkingsgroep in de modder steken, waarbij ze constant een bevestiging was van de ideeën van de heersende klasse: zie je wel, we helpen ze maar toch raken ze er niet uit. Pas nadat arbeiders en dagloners onder invloed van het socialisme zich organiseerden tot een partij waarmee rekening gehouden moest worden, verbeterden de omstandigheden langzaam.

Hier is een parallel te vinden met de manier waarop de Nederlandse, maar ook de Vlaamse overheid, met de kunsten omgaat: we geven de kunstenaars – in steeds minder gevallen overigens – net genoeg om te kunnen blijven bestaan, maar niet genoeg om ze hun maatschappelijke rol te kunnen laten spelen. Dat gaat overigens absoluut niet alleen om financiële steun, maar geldt minstens zo sterk voor morele steun.

Halbe Zijlstra, Nederlands staatssecretaris voor cultuur van 2010 tot 2012 (VVD, vergelijkbaar met de Vlaamse Open VLD), sprak met trots over zijn gebrek aan belangstelling voor de kunsten. Hij was verantwoordelijk voor een reeks bezuinigingen in de cultuursector die hele infrastructuren wegvaagde, maar ook voor het actief versterken van het beeld dat de kunsten een ‘linkse hobby’ zouden zijn. Ook Sven Gatz (minister van cultuur tussen 2014 en 2019 voor de Open VLD) pronkte met zijn cultuurbarbarisme. Expertise in het veld was totaal niet nodig, vond hij, om er ingrijpende beslissingen over te nemen. Alleen de begroting telt: wurgende bezuinigingen op een al uitgewrongen en overspannen sector in een periode van economische hoogconjunctuur. 

In die twintig jaar is de kunstenaar ergens naar de achtergrond gedwongen, gemarginaliseerd. De grootste bulk aan inkomsten voor de instellingen – of dat nu subsidies of andere bronnen zijn – gaat op aan personeel en huisvesting, en zeker niet aan de kunstenaars, die sinds een paar jaar overigens als ‘makers’ worden omschreven. Het woord ‘kunstenaar’ is vergiftigd, de kunstenaar zelf is een ontstoken blindedarm geworden.

Alle hervormingen van de cultuursector worden beloond met nog meer bezuinigingen. Laagdrempeligheid leidt tot het museum als yogamat of feestzaal, blockbusters moeten de jaarcijfers redden, en teams van communicatiemedewerkers bedenken de ene publieksactie na de andere. De drempel lijkt soms zo laag te worden gelegd dat ze eerder een sinkhole is; waar overigens de doelgroepen die wanhopig bereikt moeten worden gewoon omheen wandelen, want waarom zou je naar een voorstelling of tentoonstelling gaan als zelfs de verantwoordelijke overheid er het nut niet van inziet? 

Zoals de verarmde bevolking in het 19e eeuwse Londen maar niet kon ontsnappen aan zijn benarde positie, zo zit de kunstenaar nu gevangen in een spinnenweb van politieke en economische verwachtingen waar deze door gebrek aan steun of zelfs tegenwerking nooit aan kan voldoen: de kunstenaar als cultureel ondernemer is een mislukking.

Maar wat nu als de kunstenaar als cultureel dienstverlener wordt gezien? Als cultureel of artistiek dienstverlener functioneert een groot deel van de kunstensector ondanks de opgelegde hoogspanning prima: er is aanbod, er wordt geproduceerd, er worden ideeën gevormd, en het belangrijkste: er wordt een alternatief geboden voor de mainstream media – om de dominantie van licht entertainment maar eens in een populistische term te omschrijven. De waarde van de kunsten zit niet in de onmiddellijke financiële opbrengsten of in het eindeloze concessies doen aan een onwillig breed publiek, maar in het zorgen dat ideeën buiten de druk van de markt en de status quo kunnen ontstaan en verspreid worden. De investering in die dienstverlening zorgt ervoor dat die alternatieven in de toekomst al dan niet invloed hebben op verschillende velden: het is precies die ‘andere blik’ die terecht zo vaak genoemd wordt ter verdediging van de kunsten, die zo waardevol is. Dit is een specialisatie van de kunstenaar.

De culturele dienstverlening bestaat uit het waarborgen dat die alternatieven er zijn. Een politiek systeem dat die alternatieven met nauwelijks verholen plezier op allerlei vlakken zo onbeduidend mogelijk houdt, ontzegt zijn bevolking horizonten en perspectieven die, juist nu, bruikbaar kunnen zijn bij het vinden van een weg in dit ‘nieuwe normaal’, dat op korte termijn geregeerd wordt door de grillen van een virus en op langere termijn door de gevolgen van roofbouw op de aarde. De uitgemergelde kunstensector is de gedroomde gids naar een maatschappij die met weinig het maximale eruit kan halen.  

Kunstenaars kunnen hun rol van culturele dienstverleners alleen vervullen als ze als serieuze en evenwaardige gesprekspartners worden gezien.

AC, 13/08/2020 anno covidii


Addendum: Kunst-bashen is in die afgelopen twintig jaar een salonfähige volksliefhebberij geworden, waarbij de verschillende misverstanden over de kunstsector de stokken zijn om mee te slaan. 

Subsidieslorpers.

Van alle Nederlandse cultuursubsidies gaat meer dan de helft naar erfgoed en bijna de helft naar podiumkunsten. De overige 10% wordt verdeeld tussen literatuur, film, beeldende kunst en ‘bovensectorale instituten’. In 2017 bedroeg het aandeel cultuur op de volledige rijksbegroting 0,3230%. Het document ‘Feiten en cijfers over het kunst- en cultuurbeleid in Nederland’ is hier te raadplegen.

In Vlaanderen ging in 2018 minder dan 3% van de totaalbegroting naar het departement Cultuur, jeugd, sport en media, waarvan op haar beurt iets meer dan 1% – 11,8 miljoen Euro – naar ‘cultuurparticipatie’. Ter vergelijking, uit datzelfde departementsbudget gaat 271 miljoen naar de VRT en 153 miljoen naar sport. Zie deze link voor de Vlaamse begroting in cijfers.

Een bedenking over sport: ik geef niets om sport, en de sportwereld doet ook geen enkele moeite om mijn drempel naar een stadion te verlagen. Waarom wordt dan van mij, de cultureel dienstverlener, verwacht dat ik een belangrijk deel van mijn budget – en energie – verbruik om met alle geweld mensen in mijn tentoonstellingen proberen te krijgen die echt niet willen?

Profiteurs, zoek eens ‘echt’ werk.

Maar een deel van de kunstenaars krijgt (soms) subsidies en die bestaan niet uit doorlopende potten met geld, maar uit specifieke betalingen voor uit te voeren doelen; of dat nu de ontwikkeling is van een kunstpraktijk of de uitvoering van een in de tijd afgebakend project zoals de productie van een voorstelling, de publicatie van een boek, of het (laten) uitvoeren van een werk. Dat geld gaat op aan de huur van een atelier of repetitieruimte, effectieve productiekosten en/of de aanschaf van apparatuur. Er gaat niemand van op vakantie, er wordt geen chique auto voor gekocht. Zoals met alle investeringen kan de opbrengst – in de vorm van een verkoop, een doorbraak, of het uitproberen van een nieuwe richting – tegenvallen, maar een dergelijke toelage is zelden of nooit weggesmeten geld. 

Het grootste deel van de professionele beeldende kunstenaars houdt er een of meerdere banen op na, waarbij het kunstonderwijs ongetwijfeld de grootste werkgever is. Vaak hebben kunstenaars te weinig uren om een volledig inkomen te krijgen, of schiet er te weinig tijd of geld over om in de eigen praktijk te investeren. Dan kan een overheidsinvestering net een duwtje in de goede richting geven. 

Ik heb me jarenlang tegen overspannenheid aan gewerkt, doordat ik betaalde opdrachten in verschillende domeinen moest afmaken terwijl ik in het atelier nieuwe werken voor tentoonstellingen in elkaar zette en me tegelijkertijd zorgen maakte over hoe ik de huur van de komende maand moest betalen. 

Maar ik kies daar toch voor? Nee, natuurlijk kies ik daar niet voor: ik wil, zoals de meeste mensen, gewoon mijn vak goed kunnen uitvoeren, en mijn rol als artistiek dienstverlener goed kunnen spelen. Dat is geen probleem. Alleen de gedwongen rol als cultureel ondernemer was een aanslag op mijn gezondheid.

Linkse hobbyisten.

Tot een jaar of vijf geleden had ik gezworen dat ‘links’ en ‘rechts’ verouderde politieke begrippen waren. Ik was echt in de veronderstelling dat we het alleen over ‘progressief’ en ‘conservatief’ zouden hebben. Iedereen was toch al een liberaal, nietwaar? Cultuur als links bestempelen is net zoiets als beweren dat klimaatopwarming links is. 

Hobbyisten? Alle zelforganisatie, onderzoek, logistiek, communicatie en economie in de meest oorspronkelijke zin – doordacht omgaan met de beschikbare middelen – spelen zich achter de schermen af. Het zichtbare resultaat vindt plaats op het podium; of dat nu een tentoonstellingsruimte, een publicatie, een geluidsdrager of letterlijk op een verhoging in een zaal of op een festivalterrein is. Daar gaan weken, maanden of jaren aan voorbereiding vooraf. 

Niet alleen de meest venijnige trollen, maar zelfs goedaardige bondgenoten onderschatten het professioneel cultureel gedrag omdat het onzichtbaar is; maar de magie is juist dat het publiek dat niet hoeft te zien. Pas dan werken de kunsten in de breedst mogelijke (kunst)historische zin namelijk op hun best: als manifestaties van schier onvoorstelbare denkwerelden.

Follow Alexandra Crouwers:
Alexandra Crouwers (NL, °1974) is a visual artist working in the digital realm. Her works are made by using a combination of 3D modeling and animation, and post-production, and can take many forms. From 2019 on, she's a doctoral researcher in art and animation at Leuven University/LUCA School of arts, Brussels, under supervision of Wendy Morris.
Latest posts from